vrijdag, mei 06, 2016


Te Rotterdam ben ik geboren
Onder den adem van de Maas
En liep ik, met mijne eigen stilte,
Temidden van het straatgeraas.
Van zwaarbespannen sleeperswagens
Ben ik er passagier geweest.
Door heel de stad heb ik gezworven,
Maar aan de kaden toch het meest.
Daar lag de stoet uit alle streken,
De klipper en de keulenaar,
Het driemastschip, zijn tuig ten hemel,
En de ertsboot, vol en breed en zwaar,
De Lloyd-vloot, met provincie-namen,
Alle elf, als ik mij niet vergis,
De Caland en de Lady Tyler,
De Scholten, die gebleven is.
Daar lagen zij, voor alle verten
Gereed, elk in zijne eigen pracht.
’t Is me, of ik nog hun stem hoor loeien
Ten afscheid, in den winternacht.
Maar dit ook is, wat uit die jaren
Het weerzien mij tebinnen brengt,
Dat alle geuren uit de wereld
Daar met elkaar waren gemengd.
Naar koffie rook het bij de Draaisteeg,
Aan ’t Oude Hoofd naar teer en touw,
Naar copra langs de Spoorweghaven,
Naar reuzel bij het Poortgebouw,
Naar huiden op den Terwenakker
En aan den Haringvliet naar kaas.
Dan was de lucht van gist of olie
En dan van jute weer de baas.
Dan waren het de specerijen
Uit Bombay of Batavia.
Naar schapen rook het in de Boompjes,
Naar uien op de Spaanse Ka.
Aan ’t Nieuwe Werk geurden citroenen
En bij het Entrepôt tabak.
Kortom, er valt geen reuk te ruiken,
Die aan dit havenbeeld ontbrak.
Maar later, toen ik op mijn tochten
In aller Heeren landen kwam,
Kon het mij dikwijls overvallen:
Hier ruikt het als in Rotterdam!
En daarmee kwam dan in zijn volheid
Dat eene beeld mij voor de geest,
Waartegen zich ons leven tekent:
De stad, waar men is kind geweest.
Het is, of vanuit deze haven
Iets over heel de wereld drijft
Waardoor, waar u het lot mag voeren,
Ge toch binnen haar omtrek blijft.
Het is of, met haar lucht en water
En wind, zij ons heeft opgevoed
In ruimte en vergezicht, de kusten
Van onze toekomst tegemoet.
Vaart ge van Sidney of naar Kaapstad,
Naar Kobe of naar Baltimore,
Vaart ge onder alle hemelsbreedten,
Vaart ge alle wereldzeeën door,
Nooit voelt gij u geheel verlaten,
Als hier uw mensch-zijn aanvang nam,
Door wat van kindsbeen af u eigen
En lief was. Dàt is Rotterdam. 

Jan Prins


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen